Zorgbestuur en maatschappij
Hans Hoek reflecteert op ontwikkelingen in gezondheidszorg en maatschappij
Aug 31
Het kan en het mag
geplaatst om 09:27 in categorie Gezondheidszorg, Governance, Professionals
De titel van deze weblog is het bovenschrift bij twee foto’s op de voorpagina van de Volkskrant vanmorgen (31-8-2010) over het invriezen van eicellen. Het artikel eronder geeft in essentie het maatschappelijke probleem weer, waarop ik drie jaar geleden promoveerde.
In mijn dissertatie beschreef ik het gebrek aan samenhang en afstemming tussen publieke governance, private governance en professionals governance. Iemand bedenkt in een van die drie governance werelden iets en denkt dan dat het daarmee wet is en door de actoren in de andere governance werelden geaccepteerd zal worden. Dit artikel is daar een mooi voorbeeld van.
Het ministerie van VWS (publieke governance) heeft de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie NVOG (professionals governance) om advies gevraagd over het invriezen van eicellen zodat vrouwen later nog een zwangerschap kunnen entameren. De NVOG vindt dat dit ook kan als er geen strikte medische redenen zijn. De gynaecologen zien geen medische en ethische bezwaren om eicellen om niet medische redenen in te vriezen. ‘Vanaf vandaag is dit de nieuwe praktijk zegt de vereniging’ volgens de Volkskrant. Het tweede deel van het artikel gaat over reacties van politieke partijen op het rapport van de NVOG, alsof dit al voorgenomen overheidsbeleid is. Volgens de NVOG op haar eigen site is er sprake van een standpunt dat te vinden is in de rubriek ‘standpunten, modelprotocollen, nota’s etc’ op de site. VWS zegt er nog niets over.
Dat is boeiend, hetzelfde rapport heeft dus al vier verschillende statussen. Als het rapport een advies van de gynaecologen aan de minister is, dan zal de minister eerst een standpunt in moeten nemen en daarover de Kamer informeren. Dan kan er sprake zijn van voorgenomen overheidsbeleid, dat de minister aan de Kamer voorlegt. Dat is dan het moment, waarop Kamerleden kunnen reageren. En ze horen dan naar mijn idee te reageren op het standpunt van de bewindspersoon binnen publieke governance en niet op het advies van de beroepsgroep. In deze kijk op de werkelijkheid praten de Tweede Kamerleden dus voor hun beurt.
De NVOG wekt de indruk dat het rapport over invriezen van eicellen een andere status heeft. Een standpunt van de beroepsgroep is meer dan een advies. Dat betekent dat de professionals het erover eens zijn dat het zo moet. Dan is het ook logisch dat ze die consensus binnen de beroepsgroep hanteren als uitgangspunt voor hun handelen. Voor de beroepsgroep is het dan een onderlinge professionele afspraak: ‘zo doen we het voortaan vakbroeders (en vakzusters)’. Dat verklaart de zinsnede over de nieuwe praktijk in de Volkskrant.
Als de gynaecologen het invriezen van eicellen vanaf vandaag als gangbare praktijk hanteren terwijl de minister en de Kamerleden denken dat ze een advies hebben gehad, waar ze rustig over na kunnen denken, dan is de basis voor een conflict tussen de professionals governance wereld en de publieke governance wereld gelegd.
In publieke governance is dan waarschijnlijk de gedachte ‘Er gebeurt niets met het invriezen van eicellen, tot wij politici bepaald hebben wat wel en niet mag’. In professionals governance is de gedachte ‘Wij zijn het met elkaar eens, dus we gaan doen wat we hebben afgesproken’.
Ik ben benieuwd naar het moment waarop een Kamerlid de minister verontwaardigd voor een spoeddebat naar de Kamer roept omdat hij/zij heeft ontdekt dat de gynaecologen ‘een onverantwoorde en kostbare techniek’ uitvoeren die de Kamer niet goed vindt.
Aug 20
Welke besturingstheorie hangt u aan?
geplaatst om 08:00 in categorie Gezondheidszorg, Leiderschap, Observaties
De zomertijd is zo’n periode, waarin ik ook eens wat achterstallig leeswerk kan doornemen. Omdat de stapel willekeurig is, kom je soms tot onverwachte combinaties. Zo las ik achter elkaar een casusbeschrijving van Buurtzorg en een notitie van de Inspectie Gezondheidzorg (IGZ) over het veiligheidsmanagement systeem (VMS) voor ziekenhuizen. Ogenschijnlijk hebben die niets met elkaar te maken, maar juist het verschil is boeiend. Er liggen namelijk geheel verschillende opvattingen over besturing aan ten grondslag.
Ik kom daar op terug, maar maak eerst even een uitstapje naar de managementtheorie. Douglas McGregor schreef in 1960 een boek (McGregor, D. The Human Side of Enterprise, McGraw Hill, New York, 1960) over verschillende opvattingen, die leiders kunnen hebben over hun ondergeschikten ( dat woord zullen we nu niet meer gebruiken, maar dat terzijde). De ene opvatting, die McGregor ‘Theorie X’ noemt gaat er van uit dat de gemiddelde mens een afkeer van werken heeft, geen verantwoordelijkheid wil dragen en daardoor (door straf en beloning) gedwongen moet worden om te presteren. De hele bonuscultuur is eigenlijk stilzwijgend op theorie X gebaseerd.
Theorie Y, de andere opvatting, gaat er van uit dat werken net zo natuurlijk is als rusten en een waardevol onderdeel is van het leven. Een mens wil graag dingen doen en verantwoordelijkheid dragen en zijn creativiteit inzetten. Geld is dan ook niet de enige prikkel, maar zelfontplooiing is dat veel meer.
Een zelfde tegenstelling zie ik in de bestuurlijke visies uit de twee casussen. Buurtzorg gaat uit van het team, dat zelf zijn keuzen kan maken, zelf verantwoordelijk is en fouten mag maken. Vergelijkbaar met McGregor zou je dat ‘Theorie A’ kunnen noemen, waarbij de A staat voor autonomie. Het team is –binnen grenzen- autonoom en zelf verantwoordelijk. Dat stimuleert mensen om voor hun cliënten de beste oplossing te vinden, onderling af te stemmen en verantwoordelijkheid te nemen. Daarbij gaat natuurlijk van alles fout en vindt ieder team opnieuw het wiel uit, maar dat is niet erg als ze maar van hun fouten leren. Er is bijna geen centrale sturing en wat er centraal gedaan moet worden, is ondersteunend en wordt door de teams gezamenlijk bepaald. Theorie A en Theorie Y gaan uit van hetzelfde mensbeeld.
De basale gedachte achter het VMS, maar ook achter de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid die VWS bij bestuurders legt, gaat uit van top down en centraal regelen. Als de bestuurder maar de baas is van de specialisten dan komt het wel goed, is de basisgedachte. Laten we dat ‘Theorie B’ noemen, waarbij de B staat voor beheersen. Als je maar systemen, protocollen en beheersingsinstrumenten hebt en centraal gezag, dan komt het wel goed met de veiligheid, met ‘in control’ zijn of welke centrale doelstelling ook. Theorie B gaat uit van voorschrijven, opleggen, fouten publiceren, verantwoording afleggen aan het hoogste niveau. Misschien herinnert u zich nog de CMG reclame van zo’n 12 jaar geleden, waar mensen als marionetten door het hogere niveau aan touwtjes gestuurd worden en de hoogste baas zich rot rent om aan alle touwtjes te blijven trekken. Dat is theorie B, die een beetje tegen de theorie X van McGregor aanzit, maar niet helemaal. Theorie B gaat er immers vanuit, dat als je maar systemen hebt, het vanzelf goed komt omdat mensen de regels wel naleven, terwijl theorie X van McGregor uitgaat van voortdurende dwang.
We hebben hier dus twee visies op de besturing van een organisatie. Dat is mooi, maar wat is de realiteit? Noch theorie A noch theorie B zal in de praktijk helemaal werken. De autonomie van de teams van Buurtzorg wordt ingeperkt door de noodzaak om kostendekkend te draaien en om dezelfde dingen overal op dezelfde manier te doen. Je kunt wel centrale regels voor hygiëne en veiligheid op de OK maken, maar als bij voorbeeld de werkers op de OK de chirurg niet aanspreken als hij zijn handen niet wast of de anesthesioloog niet op het feit dat hij steeds bij beide OK tafels niet aanwezig is omdat hij de OK uitloopt om zijn vriendin te bellen, dan hebben de centraal opgelegde regels weinig zin.
Als je dus gelooft in Theorie B, dan moet je werkwijzen uit Theorie A lenen om de echte werkers zo ver te krijgen dat zij elkaar aanspreken. Op de OK heb je dus een vleugje van de mentaliteit van de teams van Buurtzorg nodig om te zorgen dat de veiligheid door mensen en niet door systemen geborgd wordt. (Zie ook het artikel ‘Sturen op Zorgveiligheid’ van Antoinette de Bont, Pauline Meurs en Roland Bal in ZM Magazine van juli 2010) Bij Buurtzorg heb je een vleugje van Theorie B nodig om te zorgen dat de organisatie een gezicht naar buiten toont en financieel gezond blijft.
Welke theorie hangt u aan en wat doet u er aan om de extremen van die theorie te voorkomen?
Wij hebben nu bijna vier jaar een C3 weblog voor iedere consultant.
We zijn er mee begonnen na een training van Laura Babeliowski over marketing door professionals. Toevallig belde Laura gisteren om te horen wat bloggen en andere marketingtips van haar ons gebracht hebben. Het antwoord vindt u straks op haar site.
Inmiddels zijn we ook actiever op Linkedin, hebben we daar een paar groepen geopend en discussiëren we intern over het nut van Twitteren. Recent hebben we samen met de mannen van Focus Plus, een bureau waar we mee samenwerken, gehoord en bediscussieerd hoe een jong bureau als Alares dat doet. Laurens Walling van dat bureau kan daar mooi over vertellen.
Met Barnyard, het bureau dat de uitgave van onze boekjes doet zijn we onze activiteiten in sociale media en daarbuiten verder aan het verkennen.
Vandaag werd ik via de site van Management en Consulting attent gemaakt op een onderzoek van de Bloomberggroup naar het gebruik van sociale media door consulting firms. Een heel interessant artikel om te lezen. Het artikel geeft een goed overzicht. De term die Bloomberg hanteert voor de rol van consultants in de maatschappelijke discussie ‘Thought leadership’, leiders in gedachteontwikkeling (in het Engels is het toch mooier) spreekt me erg aan.
Alleen is het jammer dat het onderzoek uitgaat van de manier van kijken van de adviesbureaus. Er is niet aan potentiële cliënten en lezers gevraagd wat zij ervan vinden. Dat zou een mooi volgend onderzoek zijn.
Het is een vraag die mij wel bezig houdt. Ik schrijf regelmatig weblogs over veel verschillende onderwerpen. Ik vind dat zelf leuk om te doen en heb genoeg inspiratie. Maar wie is er geïnteresseerd in wat?
Ik nodig de lezers van mijn blog graag uit om te reageren en me te vertellen welke soort blogs ze interessant vinden.
Aug 17
Zittingsduur president De Nederlandse Bank
geplaatst om 10:07 in categorie Governance, Maatschappelijke ontwikkelingen
Vanmorgen stond in de krant dat demissionair minister De Jager werkt aan een wetswijziging om de zittingsduur van de president van DNB te beperken tot twee termijnen van zeven jaar. Dat is heel verstandig. Ik pleitte daar al voor in mijn weblog van 18 augustus 2009. Het is voor geen enkele functie goed als iemand vaker dan twee perioden wordt benoemd. Deze wetswijziging had dus al veel eerder plaats moeten vinden.
Wat ik jammer vind is dat het invoeren van deze normale governance regel nu genomen lijkt te worden om Nout Wellink kwijt te raken. Dat beeld wordt nu in de berichtgeving opgeroepen omdat de maatregel tegelijk met het veranderplan van DNB in de publiciteit komt. Die koppeling is schadelijk voor Wellink, maar meer nog voor good governance van publieke toezichtorganen. Wat je van anderen normaal vindt (2 termijnen) en ook soms eist, voer je als overheid pas door als de druk te hoog wordt en je op een ‘deftige manier’ van iemand af wilt.
Dat had eerder en netter gekund in de periode dat Wellink nog stevig in het zadel zat. Toen was het beleid geweest, nu lijkt het een ad hoc maatregel.
Maar het goede nieuws is dat DNB net als iedere andere publieke toezichthouder een maximale zittingstermijn van de voorzitter krijgt. Waarom dat bij DNB dan tweemaal zeven jaar is en bij NMA, AFM en NZA twee keer vier jaar, is me niet duidelijk. Als De Jager toch bezig is, valt te overwegen om de zittingstermijnen bij al deze toezichthouders gelijk te trekken. Acht jaar is echt genoeg om iets te bereiken. Veertien jaar is te veel.
Gisteren was het 15 augustus, Maria Hemelvaart, Ferrragosto in Italië. Ferragosto is een feestdag, waar iedereen in Italië vrij is en er een paar dagen met het gezin op uit gaat. Er is een prachtige film van Gianni di Gregorio over, waarin hij zelf de hoofdrol speelt. ‘Pranzo di Ferragusto’ uit 2008 gaat over een man, die tijdens deze feestdag vier zeer oude dames in huis heeft.
Gianni (ook zijn filmnaam), een man van begin 50, woont samen met zijn moeder Valeria (93) in een groot appartement in Rome. Het is een beetje vergane chique. Gianni heeft schulden omdat hij niet werkt, maar voor zijn moeder zorgt. De makelaar van de vereniging van eigenaren is bereid Gianni een deel van die schulden kwijt te schelden als hij tijdens Ferragosto voor de moeder van de makelaar wil zorgen. Want de makelaar wil met zijn familie op stap. Hij brengt echter niet alleen zijn moeder Marina (85) op 14 augustus, maar ook tante Maria (87), die eveneens niet welkom is bij haar kinderen (en Gianni ziet de makelaar vervolgens niet vertrekken met zijn gezin, maar met een zeer jonge en zeer blonde dame). De dokter, die Gianni’s hartklachten onderzoekt, heeft dienst in het ziekenhuis en levert daarom eveneens zijn moeder Grazia (90) bij Gianni af. Voor de deur vertelt de dokter aan Gianni het dieet en alle pillen die Grazia moet slikken. Zijzelf staat er ongelukkig en verloren bij.
Gianni zit dus ineens opgescheept met vier oude dames, die elkaar niet kennen en in het begin onaangenaam zijn voor elkaar. Voor die dames moet hij koken, hij moet ze een slaapplaats geven en zorgen dat ze het een beetje leuk hebben. Dat valt niet mee. Valeria en Marina ruziën om de televisie, waarna moeder Valeria zich in haar kamer opsluit en Marina wegloopt om in een kroeg te roken en bier te drinken. En Gianni dus met Maria en Grazia aan de keukentafel zit.
Gianni doet er alles aan om het de dames naar de zin te maken en om ze bij elkaar te brengen. Hij fleemt, onderhandelt, is gematigd streng, luistert en praat met de dames en flirt zelfs met Marina. Maar bovenal respecteert hij de dames en behandelt ze als gewone mensen. Op Ferragosto komen de dames tot elkaar en krijgen ze het leuk met elkaar. Er ontstaat ook een rolverdeling. Valeria is de leider, Marina de gangmaker voor het plezier, Grazia degene die tegenstellingen overbrugt en Maria de stille kracht die respect afdwingt door haar kennis van eten en koken. Grazia eet alles wat volgens haar dieet verboden is en voelt zich uitstekend. Maria die licht dement is, komt los en neemt weer deel aan het gesprek.
Ze hebben de eerste dag al alles opgegeten, dus Gianni wordt erop uit gestuurd om in het volstrekt lege Rome te proberen voedsel te vinden, terwijl Valeria de tafel feestelijk dekt met het mooiste damast en het zilveren bestek uit de met fluweel bedekte cassette.
Met beperkte middelen wordt het een feestmaal, waar iedereen het reuze naar haar zin heeft. Dan komt het moment dat de zonen gebeld moeten worden. Als Gianni daarvan terug komt, is de stemming weg. Maar dan nemen de dames het initiatief. Eendrachtig zeggen ze Gianni dat ze willen blijven en het feest voortzetten. Een van de mooiste momenten is als de vier dames aan tafel opkijken naar de staande Gianni. Moeder Valeria met al haar moederlijk gezag, Grazia met geld in haar hand, Marina met haar meest verleidelijke glimlach en Maria in stille afwachting.
Gianni bezwijkt en zal het regelen met de zonen. Dan beginnen de onderhandelingen over wat ze die avond zullen eten. Tijdens de aftiteling zie je de vier dames fraai uitgedost met elkaar en Gianni swingen op muziek uit de grammofoon.
Pranzo di Ferragosto is een mooie en ontroerende film. De dames zijn werkelijk heel oud en spelen deels zichzelf. Ze hanteren hun eigen voornamen. Er was ook geen script, maar ze moesten improviseren binnen het kader van de scene. Dat is goed gelukt. De oude gerimpelde gezichten en handen zijn prachtig gefilmd, soms in extreme close up. De film straalt warmte, liefde voor oude mensen en enorme levensvreugde uit. Gianni zorgt niet voor de dames; hij leeft, geniet en lacht met hen. Hij brengt hen zo terug in hun menselijke waardigheid en spreekt hen aan op hun talenten, die ze dan ook weer volop gebruiken. Voor wie van oude mensen, Italië en/of eten houdt, is Pranzo di Ferragosto een geweldige film.
In dezelfde dagen dat ik de film opnieuw bekeek, stond het bericht in de krant dat er in verzorgingshuizen zo veel gepest wordt. De Nationale Ouderenbond pleit voor een ‘pestprotocol’ (ze zullen wel bedoelen een antipest protocol, want een ‘pestprotocol’ zou een protocol zijn hoe de medewerkers gestandaardiseerd bewoners horen te pesten). Bij het Journaal item over dit onderwerp werden beelden getoond van een lange rij ouderen recht tegenover elkaar aan een plastic tafel. Logisch dat die mensen elkaar (of het personeel) gaan pesten. Andere mogelijkheden om hun talent in te zetten en hun energie te gebruiken, zijn er nauwelijks.
Dat los je niet op met een pestprotocol. Misschien is er in sommige verzorgingshuizen een beetje minder ‘zorgen voor’ en een beetje meer ‘leven met’ nodig. Een beetje ‘Gusto di Gianni’ kan geen kwaad. Kijk naar deze film in plaats van een pestprotocol te maken. Dat levert meer op.
Aug 12
Medische zorg en cultuur
geplaatst om 09:00 in categorie Gezondheidszorg, Maatschappelijke ontwikkelingen
Van de week vertelde een relatie mij over zijn ervaringen met de Franse gezondheidszorg. Die waren overigens goed, maar het gemak van voorschrijven van medicijnen was hem opgevallen.
Dat bracht me het boekje ‘Medicine and Culture’ van Lynn Payer (1996) in gedachte. Lynn Payer was journaliste en sociologe. Ze werkte in de USA en Frankrijk toen ze baarmoederhalskanker kreeg. Ze zocht hulp in beide medische systemen en ontdekte dat de opvattingen en behandelingen van hetzelfde probleem in beide landen anders was. Amerikaanse dokters stelden voor om baarmoeder en alles wat daarbij hoort geheel te verwijderen, dan kon er nooit meer een probleem zijn. Franse dokters wilden dat niet omdat daarmee de vrouwelijkheid wordt aangetast en stelden voor om alleen het zieke gedeelte weg te halen. Ik geloof dat Payer daarvoor gekozen heeft, maar dat weet ik niet zeker.
Vanuit haar achtergrond intrigeerde dit verschil haar en ze startte een vergelijkend onderzoek naar hoe culturele opvattingen medische behandelingen beïnvloeden. Ze vergeleek de USA, Engeland, Duitsland en Frankrijk. De gezondheidstoestand en de levensverwachting waren in die landen gelijk, maar de behandelingen waren geheel verschillend. Payer publiceerde haar boek in 1988 en bracht in 1996 een herziene versie uit, die nog steeds te koop is. Ze overleed in 2001 op 56 jarige leeftijd aan borstkanker. Haar eigen leven was medisch gezien dus niet zo gelukkig.
Haar boek is na al die tijd nog steeds waardevol en er is weinig veranderd. In de USA wordt het lichaam gezien als een machine; als er iets kapot is haal je het eruit en vervang je het als dat mogelijk is. In Duitsland gaat men uit van een sterke verbinding tussen lichaam en geest, waar ze in de USA geen boodschap aan hebben. Vooral bij vage klachten zijn de verschillen interessant. Als een Engelsman een vaag probleem heeft, denkt de dokter al snel dat het aan het darmstelsel en de stoelgang van de patiënt ligt en stemt daar de behandeling op af. Datzelfde probleem zal door een Franse dokter als een kwaal aan de lever gezien worden. In beide situaties zijn (verschillende) pillen de oplossing. Een Duitser daarentegen heeft dan ‘Herzschmerz’ en wordt naar een kuuroord gestuurd. De Amerikaan wordt helemaal nog niet behandeld, maar onderworpen aan steeds meer diagnostiek, tot de dokter ‘iets’ gevonden heeft, dat bij voorkeur door een operatie wordt opgelost.
Het boek geeft veel meer voorbeelden van verschillende culturele opvattingen die tot verschillende behandelingen leiden. Ondanks alle ontwikkelingen naar ‘evidence based medicine’ is genezen dus nog steeds ‘kunst’ en geen ‘kunde’. Dat die cultuurverschillen er nog steeds zijn bewijst de discussie over de thuisbevalling, die in Nederland normaal gevonden wordt en in de USA bad medicine op het niveau van een ontwikkelingsland.
Het boek ‘Medicine and Culture, Varieties of Treatment in the USA, England, West-Germany and France’ is nog steeds de moeite van het lezen waard. Ik kan het iedereen aanraden.
In de Volkskrant van vandaag staat een artikeltje over thuiszorg Groningen, dat voor € 80.000 voetbalclub FC Groningen gaat sponsoren. Het artikel beslaat maar iets meer dan 300 woorden, maar bevat twee hardnekkige misverstanden over de gezondheidszorg.
Misverstand 1: in de derde alinea van het artikel staat: ‘De thuiszorgorganisatie wordt volledig gefinancierd uit belastinggeld via de AWBZ’.
Dat is onjuist. De AWBZ is een volksverzekering, waarvoor iedere burger premie betaalt. AWBZ gelden zijn dus premiegelden en geen belastinggelden. De bestemming van AWBZ premie ligt dus te voren vast. Het kan niet aan iets anders worden uitgegeven dan aan de verzekerde zorg. Er is geen substitutie met onderwijs, defensie of welke andere post dan ook, die uit belastinggeld wordt betaald. Dat is immers het kenmerk van belasting. Je betaalt geld aan de staat dat voor verschillende doelen gebruikt kan worden. Premie (zoals voor de AWBZ) betaal je voor een vooraf bestemd doel.
Dat de overheid de premie int en beslist over de hoogte van de premie en over de inhoud van het AWBZ doet niets af aan het premiekarakter van de AWBZ. Dat deze besluiten ertoe hebben geleid dat de premie niet kostendekkend is evenmin.
Misverstand 2: In het artikel wordt twee keer gesproken over ‘geprivatiseerde thuiszorgorganisaties’, eenmaal door de journalist en eenmaal door de bestuurder van Thuiszorg Groningen, die zegt dat sinds de privatisering thuiszorgorganisaties bedrijven zijn.
Ook de gedachte dat thuiszorgorganisaties ooit geprivatiseerd zijn is onjuist. De huidige thuiszorgorganisaties zijn ontstaan uit het samengaan van de Kruisvereningen en de Gezinszorg.
Het kruiswerk was een vereniging, dus een private rechtspersoon betaald en bestuurd door de leden. Gezinszorgorganisaties waren private stichtingen die op verschillende manieren voor hun werk werden betaald. Beide grondleggers van de huidige thuiszorg zijn dus altijd privaat geweest en konden dus helemaal net ‘geprivatiseerd’ worden.
De overheid heeft in de tachtiger en negentiger jaren de fusie tussen beide geheel verschillende organisaties afgedwongen omdat dat de financiering gemakkelijker zou maken en de afstemming tussen de verschillende hulpverleners thuis beter zou maken. Beide doelen zijn niet gehaald door dit fusieproces.
Beide misverstanden ‘privatisering van de zorg’ en ‘premiegeld is belastinggeld’ zijn hardnekkig en komen telkens weer bovendrijven, ook bij de bezuinigingsplannen uit Den Haag. Ik wees daar ook al op in mijn blog op Skipr van 25 juni 2010.
Ze belemmeren het goed nadenken over de toekomst van de zorg en de financiering ervan.
In de vele media-aandacht over Organon is mij de uitspraak van Kees van der Lede opgevallen. Die gaat over een moreel governance vraagstuk. Voor ik daarop inga eerst even de feiten.
Cees van der Lede was de voorganger van Hans Wijers als ceo van AkzoNobel (toen nog Akzo). Na zijn aftreden werd hij commissaris van AkzoNobel. Van der Lede was nog steeds commissaris ten tijde van de verkoop van Organon aan Schering-Plough. Hij was dus mede verantwoordelijk voor de goedkeuring van het besluit van de RvB tot verkoop van Organon. Nu zegt hij in NRCHandelsblad van 20 juli 2010 dat Organon nooit verkocht had mogen worden omdat het het kroonjuweel van Akzo was. CEO Hans Wijers is zo wijs hier niet op te reageren, ‘omdat dat niet in het belang van de onderneming is’.
De uitspraak van Van der Lede is op zijn minst merkwaardig en eigenlijk ongepast. Als Van der Lede tegen de verkoop was, dan moet hij er in de RvC tegen gestemd hebben. Als de RvC dan toch besluit tot verkoop, dan is dat een besluit van de raad als geheel, dus zijn ook de tegenstanders er aan gebonden. Dan heeft een tegenstander maar twee mogelijkheden. Of hij treedt onmiddellijk af na het besluit, omdat hij het er fundamenteel mee oneens is. Of hij blijft aan en houdt zijn mond. Maar hij kan nooit later zeggen: ‘Ik was altijd al tegen’. Het lijkt erop dat Van der Lede dat laatste nu doet.
Dit gedrag komt overigens vaker voor. Ik herinner mij de situatie rond de hypotheekverstrekking aan de bestuurder van Aveleijn/SDT. Dat besluit was al bijna een jaar oud, toen er publicitaire commotie ontstond naar aanleiding van het jaarverslag. Een lid van de raad van toezicht, notaris van beroep, liet toen in de pers weten dat hij ‘altijd al tegen dit besluit was geweest’. Hij trad af (dus bijna een jaar na het besluit), omdat hij bang was dat zijn notarispraktijk schade zou leiden van de publiciteit. Dat had hij dan eerder moeten doen.
Wijlen Frans Swarttouw had dat beter begrepen. Hij was tegen de verkoop van Fokker aan Dasa, omdat hij afbraak van Fokker verwachtte (waar hij gelijk in kreeg). Hij trad onmiddellijk af en maakte publiekelijk geen geheim van de reden van zijn aftreden. Dat laatste is lastig, want daarmee kun je de onderneming schaden. Bij Fokker is dat overigens niet gebeurd.
De voorbeelden laten een governance probleem zien, dat zich regelmatig voordoet maar waar je weinig over hoort. Juist omdat het zo’n moeilijk persoonlijk dilemma is.
Wat moet je doen als toezichthouder, wanneer er een besluit van de RvB (of van de RvT zoals bij Aveleijn/SDT) op de agenda staat, waar je fundamenteel tegen bent? Hoe weeg je dan het belang van de onderneming? Maar vooral hoe ga je om met je eigen moraliteit en integriteit?
Als eerste probeer je natuurlijk met alle argumenten je collega toezichthouders en de RvB ervan te overtuigen dat dit besluit niet moet worden goedgekeurd.
Als dat niet lukt, dan besluit de RvC/RvT tot goedkeuring van een besluit waar je tegen bent, maar waar je wel aan gebonden bent. Dan kun je twee dingen doen:
1 Je accepteert het besluit en staat er achter, ook al was je er tegen. Als er iemand naar het besluit vraagt, verdedig je het besluit en zegt niet dat je tegen was. Die lijn is te volgen als het besluit niet erg principieel is. Is het dat wel, dan komt mogelijkheid twee aan de orde.
2 Je bent het zo principieel oneens met het besluit dat je er geen verantwoordelijkheid voor kunt dragen. Dan is er geen andere mogelijkheid dan onmiddellijk af te treden en aan de raad van toezicht en de raad van bestuur duidelijk te motiveren, wat de reden van je aftreden is.
Dan is de volgende vraag aan de orde, namelijk of je zelf of de RvT extern iets zegt over de reden van het plotselinge vertrek of niet. Swarttouw koos voor het eerste, meestal valt de keuze op stilzwijgend vertrek of alleen een mededeling ‘verschil van inzicht over het te voeren beleid’.
Die afweging is lastig en er is ook niet een eenduidig antwoord op. De eerste vraag is of je de organisatie schaadt door publicitaire aandacht. Ook bij zijn aftreden moet een toezichthouder zich laten leiden door ‘het belang van de organisatie’. Maar dat is misschien juist waar je van mening over verschilt. Van der Lede vond het slecht voor AkzoNobel en voor Organon als Organon verkocht werd (althans, dat zegt hij nu), Wijers vond en vindt dat niet. Een publiekmaking van je reden van vertrek kan misschien de beurs onrustig maken, waardoor de koers van AkzoNobel keldert en Organon minder waard wordt. Dat wil je als ex-commissaris natuurlijk niet op je geweten hebben.
Maar er is ook een maatschappelijke kant, die in het voorbeeld van Aveleijn/SDT naar voren komt. Stel dat je als toezichthouder (in dit voorbeeld) de notaris vindt dat het besluit leidt tot een maatschappelijk onverantwoorde beloning. Dan ligt het meer voor de hand om de publiciteit te zoeken, want er is in jouw ogen sprake van een maatschappelijke misstand.
Je bent als toezichthouder (of als bestuurder, want in een RvB of een uitvoerend bestuur kan zich dit dilemma ook voordoen) in een dergelijke situatie geheel aangewezen op je eigen integriteit en morele opvattingen. En je moet een rechte rug hebben en tegen een stootje kunnen. Je gaat immers in tegen het ‘groepsgevoel’ en zet jezelf daarmee buiten de groep. Dat is nooit leuk. Bovendien geef je de andere leden van de groep het gevoel dat zij het niet goed doen en jij het beter weet, ook al bedoel je dat niet. Ook dat is nooit leuk. Dat is het probleem dat Depla voor Wijnants veroorzaakte. Ik schreef daar eerder over.
Gezien de complexiteit van besturen en toezicht houden, kan het niet anders dan dat het probleem van een bestuurder of toezichthouder die tegen een besluit is, vaak voorkomt. Toch hoor je er weinig over en zie je weinig toezichthouders om dit soort reden voortijdig aftreden. Hoe zou dat komen en hoe gaat het verder in zo’n team als iemand blijft zitten, die principieel tegen is?
Onze taal is vergeven van Engelse leenwoorden. Soms kan dat niet anders, maar soms lees ik ook stukken, waarbij veel onnodig Engels wordt gebruikt. Zo is ‘noodzaak’ of ‘het gevoel dat het dringend is’ bijna standaard vervangen door ‘sense of urgency’ (meestal cursief geschreven). Alsof het dan dringender wordt. Ik ben geen taalpurist, maar onnodig gebruik van vreemde talen stoort me. Toen ik weer zo’n artikel bol van Engelse termen las dacht ik ‘het moet toch anders kunnen’. Laat ik eens proberen een stukje te schrijven, waarin Engels zo veel mogelijk vermeden wordt. Een proefje:
Ik schrijf dit stukje op mijn werktafelbovenkant rekentuig, want mijn schootbovenkant zit in de tas. Ik gebruik een programma dat heet Woord van een firma die Zeerkleinzacht heet en een pakket Zeerkleinzacht Kantoor verkoopt, waarvan ze iedere drie jaar een nieuwe uitgave uitbrengen ‘opdatum’ genoemd. In dat zelfde zachte waren pakket zit een programma om te rekenen met spreidvellen en een programma om iets te laten zien ‘Krachtpunt’ geheten. Als je een gegevensbasis op wilt bouwen, dan maak je gebruik van het programma ‘Toegang’. Ik stroompost regelmatig naar andere mensen, waarbij ik het programma ‘Uitkijk’ van dezelfde firma Zeerkleinzacht gebruik. Wil ik iets weten dan glijd ik over het wereldwijde weefsel waarbij ik gebruik maak van een grasduiner.
Ik heb tegenwoordig een slimme verprater, waarmee ik ook kan stroomposten en weefselglijden. Ook als ik in mijn zelfbeweger zit kan ik verpraten, omdat mijn slimme verprater via een ‘Blauwtand’ gebruik maakt van de zendmast in de zelfbeweger. In mijn zelfbeweger zit een wegwijzer, die voor mij berekent hoe ik ergens kom en hoe lang dat duurt. In mijn vorige zelfbeweger was die wegwijzer samengevoegd met een verkijker, maar dat vond ik niet zinvol, want ik ben niet zo’n liefhebber van verkijken.
Valt nog niet mee zo’n proefje (experiment) om alles in het Nederlands te doen. Het maakt wel duidelijk dat Engels inmiddels onmisbaar is, want het voorgaande stukje is volstrekt onbegrijpelijk. Maar dat wil nog niet zeggen dat we steeds Engels moeten gebruiken als er ook goede Nederlandse woorden zijn.
Aug 1
De avonturen van Gover en Nance (17) Doorzichtig maar niet transparant
geplaatst om 12:00 in categorie Governance, Politiek
Nance zucht eens diep. Daar heb je Nick weer, hij zal wel weer van alles vinden over de politiek in Den Haag. Maar gelukkig heeft Nance met haar vrienden afgesproken om te gaan shoppen nu de eerste wintermode in de winkels hangt. Ze wuift naar Nick, geeft haar broer een kus op zijn voorhoofd, grijpt haar tas en stuift de winkel uit. Ook Gover zucht inwendig diep. Hij had willen werken aan de vragen voor de governance Twee voor Twaalf, maar nu moet hij Nick bezig houden. En omdat Nick de neiging heeft om af en toe voor duizend euro alles wat nieuw is over governance te kopen, moet je hem wel te vriend houden.
‘Ik amuseer me kostelijk met dat hele informatiegedoe in Den Haag’. Nick valt graag met de deur in huis. ‘Wat een gedoe. Ze zijn al meer dan 50 dagen bezig en wat ze doen is volstrekt onhelder. Zelfs de oude meester Lubbers is van stal gehaald om het vooral onnavolgbaar te maken’. Gover bromt iets terug, terwijl hij koffie inschenkt. Hij weet ook wel dat Nick toch niet naar hem luistert. ‘Wat ik zo mooi vind is dat politici zelf altijd het tegenovergestelde doen van wat ze van anderen eisen. Er zijn na de verkiezingen 60 Kamerleden vertrokken met ieder recht op 6 jaar wachtgeld. Maar een bestuurder van een organisatie mag maar voor een jaar geld meekrijgen van diezelfde Kamerleden. Dat gezeur over geld vind ik overigens niet zo interessant. Het gedoe over transparantie veel meer. Politici eisen van iedereen op ieder moment volledige transparantie. Alles moet inzichtelijk voor iedereen zijn en alles moet verantwoord worden. En als dat niet vanzelf gaat, maken ze er wel weer een wet voor’.
Nick is buiten adem van zijn wandeling en deze monoloog. Dat heb je met zo’n meer dan Bourgondisch lijf. Dus hij pauzeert even om een slok van zijn koffie te nemen. Terwijl hij probeert te verbergen dat hij zijn mond brandde aan de hete koffie gaat hij door. ‘Maar hun eigen handelen is helemaal niet transparant. Bij de gesprekken over Paars plus legden de informateurs een Twitterverbod op. Verhagen, Rutte en Wilders hebben zich een week op een geheime plaats teruggetrokken en in die tijd niets verteld. En als ze dan naar buiten komen is het met een vaag verhaal. Een ceo van een beursgenoteerde onderneming zou daarvoor de bak in gaan, omdat hij koersgevoelige informatie achterhoudt. In de politiek is dat heel gewoon. Politic houden niet van transparantie als het henzelf betreft. Ze zijn dol op de achterkamertjes, die ze anderen verbieden.’
‘Nou, nou’ werpt Gover tegen. ‘Je loopt wel erg hard van stapel’. ‘Daar houd ik van’ zegt Nick. ‘Ik ben een van de weinigen die zich kan veroorloven dit soort dingen te zeggen. Maar ik was nog niet klaar. Het is dus niet transparant, maar wel doorzichtig. Dat lijkt raar, want het zijn twee woorden die willen uitdrukken dat je ergens doorheen kunt kijken. Ik bedoel ‘doorzichtig’ in overdrachtelijke zin. Het is niet transparant wat ze aan het onderhandelen zijn, maar het is weel heel doorzichtig waar ze op uit zijn. Rutte wil premier worden, ongeacht met wie. Wilders wil aan de zijlijn macht uitoefenen zonder verantwoordelijkheid te dragen. Verhagen wil minister van buitenlandse zaken blijven. Cohen heeft spijt dat hij geen burgemeester van Amsterdam is gebleven. En Pechtholdt en Halsema komen tot de ontdekking dat ze er toch echt niet toe doen. Het gaat alleen maar om de macht in de Haagse Kaasstolp en helemaal niet om het regeren van het land en zeker niet om oplossen van de problemen waar dit land voor staat. Als het niet zo triest was, zou het een prachtig toneelstuk zijn. Maar kom, laat eens zien wat je voor nieuws over governance in huis hebt’. Nick hijst zich uit zijn stoel en gaat in de schappen neuzen. Gover haalt opgelucht adem en probeert weer na te denken over Twee voor Twaalf.
