Zorgbestuur en maatschappij
Hans Hoek reflecteert op ontwikkelingen in gezondheidszorg en maatschappij
Jan 24
Toezicht op kwaliteit en veiligheid TOKv
geplaatst om 10:09 in categorie Governance, Kwaliteit en Veiligheid
Afgelopen donderdag leidden Bart Wijnbergen en ik weer een C3 workshop over toezicht op kwaliteit en veiligheid. Vorig jaar hadden we drie succesvolle workshops. Voor dit jaar zijn er al vijf gepland, waarvan de eerste drie volgeboekt zijn. Er is nog steeds behoefte aan de workshop. Daarom plannen we binnenkort nieuwe data. Dit was de eerste in 2012. Ook aan deze workshop werd weer enthousiast deelgenomen. De combinatie van kennisoverdracht en met elkaar uitwisselen wordt zeer gewaardeerd. Deze keer deden we voor het eerst een test uit het VK waarmee je kunt bepalen hoe ver je organisatie is gevorderd met kwaliteit en veiligheid. Uit de test bleek dat de toezichthouders denken dat hun organisatie nog maar aan het begin van de ontwikkeling staat.
De meeste deelnemers zijn de trekkers in de RvT op inhoudelijk gebied. Ze zijn actief met kwaliteit bezig. Een van de discussiepunten was hoe je de rest van de RvT mee krijgt. Hoe zet je kwaliteit en veiligheid op de agenda? Volgens de meest ervaren deelnemers aan de workshop is dat een proces van tenminste drie jaar. Als het op de agenda staat, is de vraag hoe je de rest van de RvT opvoedt en ze inhoudelijke kennis bijbrengt. Over de financiën kan iedereen wel meepraten (denken we). Over de inhoud van de zorg is dat veel lastiger. En het is ook een beetje eng, omdat het voor financiële en bedrijfskundige mensen niet zo tastbaar is.
Daarom zijn indicatoren van groot belang. Aan de andere kant bestaat het risico dat kwaliteit verengd wordt tot die indicatoren, waarvan we soms de werkelijke betekenis niet begrijpen of niet weten of ze echt goede zorg weergeven. Een deel van de discussie ging over die indicatoren. Er zaten een paar mensen in de groep, die bij het NIAZ actief zijn, dus ook de waarde van protocollen, visitatie en certificering kwam uitgebreid aan bod.
Voor toezichthouders is ook een belangrijke vraag hoe je de RvB meekrijgt. Sommige bestuurders zijn heel open en werken graag met de commissie Kwaliteit samen. Anderen moeten nog overgehaald worden om kwaliteit belangrijk te vinden. Om discussie op gang te brengen kan een goede vraag aan de RvB zijn wat hij de vijf grootste risico’s in zijn organisatie vindt. De suggestie was ook om goed te kijken op welke mensen de bestuurder leunt. Dat zegt veel over zijn belangstelling en over de stabiliteit van de organisatie.
De deelnemers vinden het een groot goed om van andere toezichthouders te horen hoe zij met het toezicht op kwaliteit en veiligheid bezig zijn. Onze workshops voorzien in die behoefte. Deze groep vroeg zelfs om een vervolg in het najaar. Er is behoefte aan intervisie tussen toezichthouders. Wij kregen de vraag of we dat kunnen organiseren. Daar denken we over na.
Zelf zijn we al bezig met een handzame klapper voor toezichthouders, waarin de verschillende aspecten van toezicht op kwaliteit en veiligheid zijn samengebracht. We denken de klapper TOKv (werktitel) volgende maand uit te brengen. De deelnemers aan de workshops krijgen deze dan nagezonden. Anderen kunnen hem voor een gering bedrag bij ons bestellen. Als u belangstelling hebt, stuur dan vast een mailtje naar info@c3am.nl .
Wij organiseren de workshop ook incompany, dus voor de hele RvT, bij voorkeur samen met de RvB. Als u uw hele raad mee wilt krijgen in het denken over kwaliteit en veiligheid, is dat misschien een goed idee. Bel dan 033-4343170 of stuur een mail naar het eerder genoemde mailadres.
Mijn vrouw en ik kijken graag naar de Zweedse detectiveserie Wallander. Gisteravond bekeken we een DVD van de vierde serie. Na afloop realiseerde ik mij dat het niet alleen een spannende detective is, maar vooral een permanente les in leiderschap. Bijna iedere aflevering zou te gebruiken zijn als casus voor een leiderschapstraining.
Kurt Wallander is een oudere politie-inspecteur, die zo in zijn werk is opgegaan, dat hij geen relatie en geen sociaal leven heeft. Hij heeft alleen zijn werk en de drank. Hij is daarom als de dood voor zijn pensioen over een paar jaar. Hij is slim, maar ook koppig en nukkig. De verhoudingen binnen zijn team zijn duidelijk. Wallander is de baas, maar wordt toch door iedereen ‘Kurt’ genoemd. Zijn ondergeschikten hebben alleen maar een achternaam zoals ‘Nyberg’ of ‘Martisson’. Ze mogen de baas wel suggesties doen, maar echt tegenspreken wordt niet op prijs gesteld.
Maar er is in iedere serie iemand, die dit gezag niet accepteert en de macht tart. Meestal is dat een vrouw. In de eerste twee series was het Wallanders dochter Linda, die ook bij de politie is. In de derde was het Martisson, die zich als opvolger van Wallander wilde manifesteren. In de vierde serie is het aspirant agent Isabelle, die fel durft tegen te spreken en haar eigen weg gaat. Een enkele keer is het ook haar collega aspirant Pontus. Verder is er een voortdurende machtsstrijd tussen Kurt en de officier van justitie Katherina, terwijl ze ook buren zijn en heimelijk op elkaar verliefd zijn.
Wat boeiend is aan het leiderschap van Wallander is dat hij voortdurend wil laten zien dat hij de baas is, maar in tweede instantie toch goed luistert en de ingevingen van zijn personeel waardeert en goed weegt. Dat zou hij beter direct kunnen doen, want dan waren de zaken sneller opgelost, maar dan was de serie ook niet spannend meer. Als de opponerende vrouw gelijk heeft, krijgt ze van Kurt op enig moment ook de eer voor haar gelijk. Dat doet hij meestal met een terloopse opmerking, maar wel steeds ten overstaan van het hele team. Als een van de medewerkers onverantwoord gedrag vertoont (meestal door alleen te handelen in een gevaarlijke situatie) dan krijgt hij/zij na afloop eerst ongelooflijk op zijn donder. Maar vervolgens laat de baas wel zien dat hij blij is dat de medewerker nog leeft en dat het effect van zijn eigengereid handelen heeft bijgedragen aan de oplossing van de zaak.
Wallander wordt zo bezien een boeiende serie over leiderschap. Als je met die ogen de serie beziet, zijn er veel waardevolle leerervaringen over leiderschap uit te halen. Ik beveel u zo kijken naar de serie van harte aan.
Er is de laatste dagen veel te doen over het falen van de IGZ in 2007 inzake een jongetje in Groningen. De baas van de IGZ zegt dat hij de kans op herhaling van dit soort fouten klein acht. Hij legt niet uit waarom.
Dat riep bij mij de vraag op: Wie houdt er toezicht op de IGZ? Als de bestuurder van het Maasstad ziekenhuis dezelfde formulering gebruikt, dan zal de IGZ daar geen genoegen mee nemen en bewijzen willen zien. Waarschijnlijk zal de IGZ zelf willen onderzoeken of het klopt.
Maar hoe gaat dat bij de IGZ zelf? Wie neemt er geen genoegen met een mededeling van Van der Wal en gaat dat toetsen? Ik denk de minister, want de IGZ is een directoraat van het ministerie van VWS. Schippers is niet tevreden en laat verder onderzoeken, dus dat klopt.
Maar dan de volgende vraag: Hoe verantwoordt de IGZ zich? Waar zijn de MIP/Fona meldingen van de IGZ zelf? Waar kan de burger nalezen wat de IGZ zelf niet helemaal goed heeft gedaan. En hoe ze dat heeft opgelost? Ik heb het niet op de site van de IGZ kunnen vinden en evenmin in hun jaarbericht. Misschien dat het in de vertrouwelijke verantwoording van de IGZ aan de minister staat. Ik heb in ieder geval niet het idee dat de minister er iets over aan de Kamer rapporteert. Er is in ieder geval geen ‘maatschappelijk verantwoordingsdocument.
Ik hoop dat ik ongelijk heb, anders zou het zorgelijk zijn. Het kan toch niet zo zijn dat de IGZ iedereen de maat neemt, steeds meer toezichtkaders oplegt en zelfs een dwangsom oplegt (in 2010 zes keer) aan instellingen voor het niet aanleveren van het Jaardocument Maatschappelijke Verantwoording, terwijl ze zelf niet over zo’n document beschikt. Het jaarbericht is dat zeker niet, dat is een ronkende reclamefolder over wat de IGZ allemaal in het betreffende jaar heeft bereikt. Daarin staat geen zelfreflectie, geen overzicht van klachten over de IGZ of meldingen van dingen, die niet goed zijn gegaan. Ik kan nergens iets vinden over de zaak Jelmer of over het incorrecte rapport over de IC’s dat de IGZ moest terug nemen.
Nogmaals, ik hoop dat ik ongelijk heb. Maar dan ontdek ik graag waar en hoe en hoe ‘transparant’ zich verantwoordt.
De laatste dagen is er weer veel commotie over het COA en mevrouw Nurten Albayrak.
Het gerechtshof in Den Haag heeft haar gelijk gegeven. Ze had niet op non actief gezet mogen worden en ze moet in de gelegenheid worden gesteld haar werk als bestuurder te hervatten.
Politici en media spreken daar schande van want ‘ze voerde immers een schrikbewind’.
Ik vind dit een voorbeeld van niet kunnen of willen begrijpen hoe governance in elkaar zit. Er worden namelijk twee verschillende zaken door elkaar gehaald:
- Het veronderstelde disfunctioneren van de bestuurder.
- Het bewezen disfunctioneren van de raad van toezicht.
De uitspraak van het gerechtshof gaat over het tweede en niet over het eerste.
Naar het functioneren van de bestuurder loopt een onderzoek dat tot april moet duren. Dat is veel te lang en leidt tot een schandalig lange periode van onzekerheid. Er liggen tot nu toe geen bewijzen ten grondslag aan dit onderzoek. De aanleiding ligt in perspublicaties op basis van anonieme berichten van medewerkers en boosheid van Gerd Leers over het salaris van Albayrak.
Maar goed, het onderzoek loopt en zo lang dat loopt, is niet bewezen dat de bestuurder slecht heeft gefunctioneerd. Vanuit die optiek is ze onterecht op non actief gesteld. Volgens het gerechtshof had ze alleen van haar taak ontheven kunnen worden, voor zover het invloed kon hebben op het onderzoek.
Conclusie: op dit moment weet niemand of Nurten Albayrak goed of slecht heeft gefunctioneerd en past het niemand om daar uitspraken over te doen. In Nederland is iemand onschuldig tot het tegendeel bewezen is.
Het disfunctioneren van de raad van toezicht is wel bewezen. De uitspraak van het gerechtshof gaat daarover. De raad van toezicht had de bestuurder niet op deze gronden op non actief mogen zetten.
Volgens Albayrak zelf heeft ze haar schorsing zelfs per telefoon moeten horen en is deze niet gebaseerd op een gesprek en heeft wederhoor ontbroken. Dat laatste constateert het gerechtshof ook.
Ze geeft de COA opdracht om mevrouw Albayrak in de gelegenheid te stellen haar werk te hervatten en haar te rehabiliteren als het onderzoek positief uitpakt.
Het disfunctioneren van de raad van toezicht en vooral de voorzitter Loek Hermans begint al eerder. De minister vraagt het COA informatie over het salaris en de bijbehorende emolumenten van de bestuurder. De raad van toezicht is de werkgever en is dus de enige die mag beslissen of die informatie verstrekt mag worden en de enige die de informatie aan de minister kan geven. Wat mij betreft had daar nog een stevig gesprek van de voorzitter RvT met de minister aan vooraf moeten gaan waarom hij dat wil weten en of hij niet kan wachten tot de jaarverslaglegging er is.
Zo gaat het niet bij het COA. Loek Hermans weet niet wat de bestuurder verdient en draagt haar op zelf die gegevens aan Leers te geven. Dat had ze beter kunnen weigeren, want zij mag niet in de positie gebracht worden dat ze met een ander dan haar werkgever in gesprek moet over haar inkomen. Albayrak heeft niet geweigerd en kennelijk vervolgens een fout gemaakt, waardoor zij de zwarte piet kreeg die bij Hermans hoort te liggen.
Dat is zeer onzorgvuldig bestuur van Leers en Hermans. Los van de vraag of Albayrak een goede bestuurder is; zo hoor je niet met een bestuurder om te gaan. Zo maak je iedere bestuurder -goed of slecht- publiekelijk kapot.
Wat mij betreft moet de verontwaardiging dan ook niet gaan over de vraag of Albayrak wel of geen goede bestuurder is en of zij terug mag keren.
Het moet gaan over de vraag hoe het kan dat in Nederland anno 2011 toezichthouders zo slecht functioneren en daar niet op aangesproken worden. Tegen Hermans loopt een onderzoek van de Ondernemingskamer naar wanbeleid bij Meavita. Het lijkt me vanzelfsprekend dat een direct belanghebbende bij het COA met enquêterecht zo’n onderzoek ook voor het COA aanvraagt.
Hoe is het gesteld met de kwaliteit van de notabelen in Nederland als dit allemaal speelt rond de voorzitter van de VVD fractie in de Eerste Kamer, terwijl de fractievoorzitter van het CDA in diezelfde Eerste Kamer nog de naweeën van zijn gebrek aan toezicht bij Philadelphia voelt.
Op de achterpagina van de Volkskrant van vandaag staat een artikeltje over apen, die iPads gebruiken. De orang-oetans in dierentuinen vervelen zich. Ze zijn heel blij met gebruikte iPads. Orang-oetan Mahal in Milwaukee kijkt filmpjes, luistert naar muziek, Skypet met andere apen en maakt schilderingen met de vingerverf app. De organisatie Oranguntan Outreach pleit voor speciale apps voor apen.
Als ik dat zo lees is het helemaal niet nodig. Het lijkt me eerder omgekeerd. Steve Jobs heeft zo goed in de gaten gehad dat mensen eigenlijk apen zijn, dat hij de Apple spullen daarop ontworpen heeft. Als apen het kunnen gebruiken, dan moeten mensen het ook kunnen. Het rolmodel van Apple (de aap) komt nu uit de mouw.
Nu nog een verklarend rolmodel voor Microsoft. Die zullen mensen wel als ezels beschouwen, die zo masochistisch zijn dat ze zich iedere keer weer aan dezelfde Windows steen moeten stoten.
Ik zit vanavond in Hostellerie Munten in Weert. Ik ben daar voor zaken, die er voor deze blog niet toe doen. Munten is een prima gastvrij hotel met een goed restaurant. Na afloop van een goede maaltijd vroeg ik als digestief een grappa. Voor wie het niet weet, dat is een Italiaans distillaat van druiven. De ober stelde mij echter een ‘Krap An’ voor, een vergelijkbaar distillaat uit de Achterhoek van Wijndomein Besselingschans. Dat was niet verkeerd.
Grappig dat er in Nederland ook dit soort distillaat gemaakt wordt. Ik vind de naam creatief gevonden. Bij het googlen zag ik dat er ook een band is, die zo heet.
Mooi dat je op een avond alleen in een hotel zo toch weer een paar nieuwe dingen ontdekt.
Ik wens alle lezers van mijn blog een voorspoedig en gezond 2012. Laat u niet somber maken, we leven nog steeds in een rijk land waar veel goed is geregeld.
Dit jaar is voor mij in een aantal opzichten een jubileumjaar. Op 1 januari jongstleden was het 25 jaar geleden dat ik als zelfstandig ondernemer begon met advies en interim-management in de gezondheidszorg. In februari is het vijf jaar geleden dat ik promoveerde op governance in de gezondheidszorg. En in september zijn mijn vrouw Irene en ik 35 jaar getrouwd. Voor mij/ons is 2012 dus in ieder geval bijzonder.
Ik begon 25 jaar geleden in het AZU aan een leuke maar complexe klus. Op het terrein aan de Catherijnesingel waren maar liefst 40 grote en kleine organisatie-eenheden bezig met laboratoriumonderzoek. Dat betrof zowel routine als research. En het ging over klinische chemie, immunologie, hematologie, medische microbiologie en pathologie.
Al die eenheden moesten samengevoegd worden tot één organisatorisch geheel, het Laboratoriumcentrum, met één leiding, één structuur en één budget. Dat was nodig vanwege de nieuwe structuur van het AZU, maar ook en vooral, omdat er in de Uithof fysiek één laboratoriumcentrum werd gebouwd. Daar moest alles twee jaar later in passen. Ik was projectmanager voor dit project, maar ook met twee inhoudelijke collega’s de eerste leiding van dat Laboratoriumcentrum dat virtueel al bestond.
Een mooie opdracht, die goed geslaagd is en waar ik met plezier op terug kijk. De opdracht had tot gevolg dat ik (als civiel ingenieur) min of meer laboratoriumdeskundige werd. In de loop van de 25 jaar komen er af en toe weer laboratoriumopdrachten op mijn pad.
De opdracht had ook tot gevolg, dat ik de smaak te pakken had van de gezondheidszorg. Ik merkte dat ik daar goed in gedij en dat ik met medische professionals en in het bijzonder hoogleraren, goed zaken voor elkaar kan brengen. Dat is ook altijd zo gebleven. Ik kom ook regelmatig weer terug in de UMC wereld. Zo ben ik divisiemanager in het AZL geweest en interim-bestuurder in het Radboud. Ook voor het AZM en het UMCU heb ik later opdrachten vervuld. Grappig is dat ik nu -20 jaar later- weer terug ben in het LUMC als moderator voor een leiderschapsprogramma voor recent benoemde hoogleraren.
In het AZU kwam ik ook Karel Musch en Gerard van Vliet tegen, waarmee ik in 1988 C3 oprichtte. Maar dat is het volgende jubileum over 21 maanden, dus daar hoef ik het nu nog niet over te hebben.
Ik heb mooie opdrachten in die jaren vervuld en ik doe dat nog steeds. Ik heb twee bloedbanken de fusie tot Sanquin binnengeleid. Ik leidde een thuiszorgorganisatie en een organisatie voor verpleging en verzorging. Ik was verantwoordelijk voor het veranderproces bij een grote koepel, leidend tot een van de eerste zorgcoöperaties van Nederland. Ik heb veel fusie- en samenwerkingprocessen begeleid. Die hele 25 jaar ben ik met governancevraagstukken bezig geweest. Ik heb daarin nogal wat zien veranderen en er ook aan bijgedragen. Ik heb in die 25 jaar graag gepubliceerd en doe dat nog steeds.
Vijfentwintig jaar is een mooi moment om terug te kijken, maar ook om vooruit te kijken. Ik doe mijn werk nog steeds met veel plezier. Door ervaring wordt je een betere consultant, dus zijn de opdrachten, die ik nu uitvoer complex en doen een beroep op die ervaring. Dat is mooi. Maar het daagt ook uit om die ervaring te delen en over te dragen aan jongere generaties. Mijn uitdaging voor de komende jaren is om door publicaties, lezingen, docentschappen, workshops en masterclasses en samenwerking met jonge mensen kennis en ervaring te delen. En daarmee natuurlijk zelf nieuwe kennis en ervaring op te doen. Want door kennis te delen word je rijker en niet armer.
Dec 18
De luxe van de twijfel
geplaatst om 17:01 in categorie Leiderschap, Maatschappelijke ontwikkelingen
Vorige week had ik een mooi en intensief gesprek met mijn vroegere compagnon Karel Musch. Karel heeft C3 in 2000 verlaten om een heel andere weg in het leven in te slaan. Hij heeft een boerderij in Frankrijk ‘L Huis Perreau’ in Le Chemin, waar hij retraites houdt en pelgrims op weg naar Santiago de La Compostella ontvangt. Hij is moderator van de Avicenna leergangen, maar bovenal schrijft Karel veel. Dat laatste was de directe aanleiding tot ons contact. Karel heeft een boek over de islam geschreven, dat hij in november presenteerde. Ik heb het boek natuurlijk gekocht en gelezen. Ik kan het u aanbevelen.
Karel’s ongerustheid en boosheid over de harde en onverdraagzame kijk op de islam in Nederland was voor hem reden om zich vijf jaar in de materie te verdiepen. Dat heeft ook te maken met zijn maçonnieke achtergrond en zijn opvattingen over de maatschappelijke relevantie van de vrijmetselaars. Bij uitgeverij Fama bracht Karel Musch het boek ‘En nu het mooie van de Islam….’ uit. Karel noemt het zelf consequent ‘mijn boekje’. Dat mag gelden voor de grootte, gelet op de inhoud kun je het gerust een boek noemen. Er blijkt een grote eruditie en belezenheid uit en het vermogen om onverwachte bronnen met elkaar te combineren.
In negen hoofdstukken analyseert de auteur het ontstaan en de ontwikkeling van de islam en vooral de reactie van de christelijke wereld op ‘de dreiging’ van deze godsdienst. Het boek leert je dat Wilders, Bosma en Thieme helaas geen uitzondering zijn, maar dat de christenheid al 14 eeuwen floreert bij een sterk vijandbeeld van de islam. Vooral de rooms-katholieke kerk heeft zich niet onbetuigd gelaten om haar concurrent zwart te maken. Karel toont opnieuw aan, dat de drie monotheïstische godsdiensten veel meer met elkaar verbonden zijn dan hun leiders willen doen geloven. Het is wel merkwaardig dat drie godsdiensten, die de wereld domineren, zijn ontstaan bij patriarchale nomadenstammen in de woestijn in het Midden-Oosten. Dat leidt tot de vraag hoe geschikt die godsdiensten nog zijn om een rol te spelen in een heel andere samenleving, zeker als de heilige boeken letterlijk genomen worden. Dat is overigens niet wat de auteur betoogt.
Karel Musch laat zien hoeveel mooie dingen de islam en/of de Arabische wereld ons hebben opgeleverd. De zeer Westerse werkwijze ‘meten is weten’ is alleen mogelijk door het gebruik van Arabische in plaats van Romeinse cijfers. Als we in het Westen islamitisch zouden bankieren, dan was een bankcrisis en waren extreme bonussen onmogelijk geweest, want woekerrente is in de islam niet toegestaan. Dat voorbeeld noemt Karel Musch niet, maar wel vele andere.
De titel van het boek is jammer genoeg een beetje misleidend. Karel Musch beschrijft inderdaad veel mooie kanten van de islam, maar hij laat vooral de permanente haat van de christenen tegen de islam en de moslims (en evenzo tegen de Joden) zien. Vanaf het begin van de zevende eeuw is de Westerse christelijke politiek erop gericht burgers bang te maken voor de islam en haar gelovigen. ‘Framing’, het uitlichten van een detail en dat negatief uitvergroten, is niet nieuw. De RK kerk en kruisvaarders hebben nooit anders gedaan. Tot mijn verrassing blijkt ook in de Verlichting en zeker bij Voltaire een grote weerstand tegen de islam te bestaan.
Het boek bevat voor mij veel nieuwe kennis over de islam. De kernboodschap dat het christendom vijandig staat tegenover Jodendom en islam was niet nieuw maar komt in zijn heftigheid wel aan. Het haalt ook een aantal schijnzekerheden weg. Het boek brengt je aan het twijfelen en dat is een van de mooiste dingen, die een mens kan overkomen. Niet als je auto rijdt of andere aardse dingen doet, maar wel als je nadenkt over levensvraagstukken. Ik zou willen dat onze burgers en politici hun angst niet omzetten in schijnzekerheid, maar zich verrijken met de luxe van de twijfel. Wie zich de luxe van de twijfel kan en durft te veroorloven, moet dit boek zeker lezen.
Vanmorgen stond in de Volkskrant een artikel over onrust bij het Nederlands Architectuur Instituut (Nai). Het personeel is ontevreden over de raad van bestuur en klaagt daar publiekelijk over. De raad van bestuur ontkent de problemen en de raad van toezicht weet van niets. Ik ben benieuwd hoe dat verder gaat. Het lijkt op de situatie bij de COA. Er gaat ongetwijfeld een onderzoek komen.
Toevallig rondde ik gisteren een rapport af van mijn onderzoek naar zo’n situatie in de gezondheidszorg (dat is een van de redenen, dat ik geen tijd had om blogs te schrijven). Dat was al het tweede onderzoek dat ik dit jaar mocht doen. We hebben dit jaar ook een aantal onderzoeken van geheel andere aard kunnen doen. We hadden al een goede en zorgvuldige onderzoeksmethodologie, maar door veel onderzoek te doen, scherp je de kwaliteit van je onderzoeksmethode steeds verder aan.
Telkens weer merk ik hoe nauw het luistert om je onderzoek zorgvuldig te doen. Wie interview je, maak je wel of geen verslagen, hoe verifieer je beweringen van mensen, welke documenten bestudeer je. Vervolgens komt de vraag over wederhoor. Als je A hebt gesproken en anderen beweren iets over A, hoe stel je dan zeker dat A in de gelegenheid is om daarop te reageren. Zeker bij zo’n vertrouwenscrisis met de raad van bestuur is dat van groot belang. Als mensen het gevoel hebben dat de bestuurder wel zal sneuvelen, dan kunnen ze de neiging hebben, diens falen uit te vergroten.
Bij de rapportage is de vraag of je tot personen herleidbare uitspraken mag opnemen. Ik probeer dat zo veel mogelijk te voorkomen. Verder hanteer ik de stelregel dat ik -waar ik het niet kan voorkomen- de geïnterviewde de letterlijke tekst, die ik in het rapport wil opnemen, van te voren voorleg.
Als het rapport er eenmaal is, is de vraag wie het mag lezen. Ik heb geleerd dat je dat niet op dat moment moet beslissen, maar al in de offertefase heel expliciet met de opdrachtgever moet afspreken.
Een interessante vraag is ook, wat je doet als de opdrachtgever onderdeel van het probleem blijkt te zijn. Dat hangt samen met het voorgaande, want als de opdrachtgever mede het probleem is, kan hij de neiging hebben het rapport te willen kuisen of tegen te houden.
Goed onderzoek doen is niet gemakkelijk en vereist grote zorgvuldigheid. Je moet een hele duidelijke methodologie hebben, daarover volkomen helder zijn en deze strak contracteren. En je moet je eraan houden. Ik heb zelf weleens meegewerkt aan een onderzoek, waarbij te voren de afspraak was dat er van ieder gesprek een verslag zou komen. Toen het zover was, weigerde de onderzoeker dat want ‘hij had van mij niets nieuws gehoord’. Ik vind dat onjuist en onprofessioneel. Zo vind ik ook niet dat je mondeling of met een PowerPoint presentatie kunt rapporteren. Daarvoor luistert de formulering te nauw.
Er worden veel onderzoeken gedaan. Als er publiciteit over is, dan blijkt vaak dat de onderzoeker niet onafhankelijk was of dat het onderzoek onzorgvuldig is uitgevoerd. Om met Wim Sonneveld (als opperstalmeester van de Koningin) te spreken: ‘Er wordt wat afgeprutst in dit land’.
Wij proberen daarin verbetering te brengen. In de eerste plaats door de onderzoeken waarvoor wij gevraagd worden zorgvuldig te doen. We zijn onze methodologie aan het uitschrijven en zullen die binnenkort vertalen in een concreet aanbod aan opdrachtgevers.
In de tweede plaats willen we een bijdrage leveren aan het maatschappelijk debat over de kwaliteit van dit soort onderzoek. Ria van den Dungen en ik bereiden daarvoor een paar publicaties voor.
U hoort van ons.
Gisterenavond hadden wij op kantoor de tweede workshop over vormen van samenwerking in de gezondheidszorg. In het voorjaar hebben we een aantal workshops over coöperaties gegeven. Daar bleek de behoefte om ook over andere vormen van samenwerking kennis en ervaring te delen. Dat was reden voor ons om twee workshops over samenwerking in algemene zin te geven. De workshops worden goed bezocht en als waardevol ervaren. We overwegen daarom om in het voorjaar weer zo’n workshop te organiseren.
Maar nu naar gisterenavond. We starten met een presentatie van C3. Eveline en ik hebben een modelletje ontwikkeld om de verschillende aspecten van samenwerking in één ster samen te brengen. Dat model is weergegeven in onderstaand plaatje. Op iedere as staat een aspect en langs de as varieert de mate van intensiteit van de samenwerking. Die intensiteit bepaalt de keuzen die je maakt voor de samenwerking. Het model werkt zeer verhelderend om te bepalen hoe doel en vorm van de samenwerking bij elkaar passen. Dat bleek tijdens beide workshops. (Als u er meer van wilt weten, meldt u dan aan voor de workshop volgend jaar. De datum wordt binnenkort bekend.)
Na de presentatie inventariseren we de vragen van de deelnemers. We bespreken die vragen en een of meer van de casussen, waar de deelnemers bij betrokken zijn. Die combinatie van input van C3 en uitwisseling van eigen ervaringen wordt zeer gewaardeerd. Het leidt er vaak toe dat we tijdens de workshop de kennis en ervaring opnieuw ordenen tot nieuwe inzichten. Zo ging het gisteren ook.
Een van de vragen was of er een ondergrens te benoemen is, die noodzaakt tot samenwerking. Een van de aanleidingen daartoe was de nostalgische hunkering van Fleur Agema (PVV) naar het kleine bejaardenhuis van vroeger tijdens de begrotingsbehandeling van VWS. Dat was niet zo goed als Agema denkt. Een deel van die huizen functioneerde niet goed en moest gaan fuseren om goede kwaliteit van zorg te kunnen leveren. Meer van deze tijd waren de vragen van deelnemers uit de eerstelijn en de jeugdzorg, waar personen (bij voorbeeld huisartsen) of kleine organisatorische eenheden voor de vraag staan of ze het alleen wel aan kunnen.
De afweging is dan of je autonomie wilt inleveren om door samenwerking het beter te doen. We kwamen op een aantal criteria, die bij de afweging gebruikt kunnen worden:
- Heb je voor het bieden van continuïteit in de zorg anderen nodig?
- Heb je voor het bieden van voldoende kwaliteit van zorg anderen nodig?
- Heb je voor goede ondersteuning van je primaire proces een grotere schaal nodig?
- Is het nodig je met anderen te verbinden om voldoende externe kracht in het behartigen van je belangen te hebben?
- Kun je je werk samen met anderen beter organiseren?
- Is er een uitruil mogelijk, waarbij jij de andere partij iets kunt bieden en hij iets voor jou heeft, waar je samen, maar vooral jullie cliënten beter van worden?
Bevestigende antwoorden op deze vragen leiden bij voorbeeld in de eerstelijn tot groepspraktijken, gezondheidscentra en samenwerking van huisartsen met eerstelijnspsychologen.
Een heel andere invalshoek is de samenwerking tussen organisaties, die al een forse omvang hebben. Dan kan de neiging om steeds groter te groeien gaan overheersen. Een toezichthouder in het gezelschap vroeg zich af of er een soort toetsingscriteria zijn, waaraan je kunt toetsen of samenwerking nuttig is en het beoogde doel realiseert. Bij fusies blijkt immers vaak dat het beoogde doel niet bereikt wordt en de voorspelde synergievoordelen veel langer uitblijven. Als bij een fusie bij voorbeeld voorspeld wordt dat binnen twee jaar tenminste 10% op backoffice en faciliteiten bespaard kan worden, dan ben je een spekkoper als na zes jaar 4% besparing is bereikt.
Wat voor vragen stel je nu als toezichthouder aan de raad van bestuur als deze met ideeën over samenwerking met andere organisaties komen. We kwamen gisterenavond tot het volgende (niet uitputtende) lijstje:
- Wat levert de samenwerking voor onze cliënten op?
- Wat levert de samenwerking voor onze medewerkers op?
- Welk rendement verwachten we in kwaliteit, geld en plezier in het werk?
- Moeten we dit (bij voorbeeld vastgoed beheren) wel zelf doen of door fusie binnenhalen? Of kunnen we het beter uitbesteden aan een ander die er alle verstand van heeft?
- Welk probleem lossen we op met de samenwerking?
- Organiseren we het probleem niet mee in de samenwerking?
- Welke nieuwe problemen gaat de samenwerking opleveren?
- Wat gaat er verloren als we met die ander gaan samenwerken?
- Bij fusie: gaat de fusie ook door als jij als bestuurder het veld moet ruimen?
- Hoe erg is het als de samenwerking niet doorgaat?
- Noem eens een aantal argumenten om deze samenwerking niet aan te gaan?
- Welke mijlpalen kunnen we benoemen aan de hand waarvan we het proces tot samenwerking kunnen monitoren?
- Welke meetpunten zijn er als de samenwerking er is om te kijken of de doelen gerealiseerd worden? Waar liggen deze in de tijd?
- Waar liggen ‘points of no return’? Wanneer kunnen we nog stoppen? En wat zijn de consequenties als we halverwege stoppen?
Het aardige van de dialoog gisteren was dat we dit lijstje maakten vanuit het perspectief van de toezichthouder, maar dat het ook heel bruikbaar bleek voor de aanwezige managers en beleidsmensen om hun baas te bevragen als zij opdracht krijgen om een samenwerking te onderzoeken.
Er kwam tijdens de workshop nog veel meer aan de orde, maar voor één blog is dit wel genoeg.
Naschrift: De datum voor de volgende workshop is inmiddels bekend.
Dat wordt 2 februari 2012.
U kunt vanaf nu op onze site inschrijven
http://www.c3am.nl/nl/activiteitenagenda/workshop-samenwerking-in-de-gezondheidszorg-3/
